Westerse meditatie en haar effect

Voor middeleeuwse kloosterlingen was meditatie een stap in een proces dat lectio divina heette en in cultuurvernieuwing uitmondde. Het hele proces startte met het lezen van een boek, waarin de monnik iets voedzaams hoopte aan te treffen. Stootte hij op een passage die hem raakte, dan herkauwde hij de tekst net zo lang tot die zijn voedzame inhoud prijs gaf. Die geconcentreerde activiteit in zijn kloostercel noemde hij de meditatie. Vervolgens verbond hij zijn vondst met een situatie uit zijn dagelijkse leven waarbij hij vragen had: het gebed. Bij de vierde en laatste stap liet de monnik alles los en hoopte hij dat hem in de binnenkamer van zijn ziel een licht zou opgaan. Gebeurde dit, dan was de lectio divina afgerond en toog hij met anderen aan het werk.

Ora et labora was zijn leuze. Het ‘bid en werk’ van kloosterlingen heeft Europa in de middeleeuwen gecultiveerd en beschaafd. Monniken legden moerassen droog en ontgonnen woeste gronden. Kloosters vormden centra van beschaving in een tijd van twistende edelen en horige boeren. In die duistere tijden hadden kloosterlingen onderwijs, gezondheidszorg en landbouw onder hun hoede. Hun noeste arbeid illustreert dat meditatie ons niet van de wereld isoleert, maar een stevige basis legt van waaruit we vernieuwende initiatieven kunnen ontplooien. Dat meditatie en initiatief ook nu nog tot cultuurvernieuwing leiden, is te zien aan alle vernieuwingen op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg en landbouw die de antroposofische beweging de afgelopen eeuw initieerde.

(tekst overgenomen uit Ademen van licht, Antroposofie magazine, juni 2017, geschreven door Annemarie Sijens)