Onderwijs tot leven wekken

Opgegroeid in een familie van onderwijzers kreeg ik de liefde voor pedagogiek met de paplepel ingegoten. Natuurlijk wilde ik ook leraar worden! Omdat mijn pretpakket HAVO die mogelijkheid helaas beperkte, moest ik een zijspoor inslaan. Ergens in mijn studietijd verloor ik mijn ambitie om leraar te worden uit het oog. Pas toen mijn dochter naar de vrijeschool ging, merkte ik hoe sterk de band met het onderwijsveld nog was. Die verbondenheid gaf ik vorm door de uitgangspunten van het vrijeschoolonderwijs in mijn hart te sluiten en er als procesbegeleider en (interim)directeur te gaan werken. Het verheugt me dat vrijescholen opnieuw een groeispurt doormaken. Tegelijkertijd dringt de vraag zich op of vrijescholen zichzelf daardoor niet voorbij groeien. Kijken we naar de geschiedenis van vrijescholen in Nederland, dan was die zorg er in de zeventiger en tachtiger jaren ook. Is die zorg terecht? En zo ja, hoe voorkomen we dat.

Wat de geschiedenis laat zien

Bij het negentigjarig bestaan van de Waldorfscholen mocht ik de conferentie ‘Spiritueel Onderwijs Wereldwijd’ openen. Het zaadje dat Rudolf Steiner in 1919 in Stuttgart plantte, was toen al uitgegroeid tot een wereldwijde beweging die ongeveer duizend scholen omvatte. Groei gaat met ups en downs. In de zeventiger en tachtiger jaren groeide het aantal vrijescholen in Nederland snel. Overal in het land namen jonge ouders en prille leraren het initiatief om in hun stad een vrijeschool te stichten. Al die initiatieven wekten bij oude rotten in het vak de vrees dat de kwaliteit van het vrijeschoolonderwijs achteruit zou hollen. Ondanks hun zorg groeiden en bloeiden de vrijescholen jarenlang en liep het leerlingenaantal pas rond de eeuwwisseling terug. Sinds 2011 neemt de belangstelling voor vrijescholen opnieuw toe. Wat lag daaraan ten grondslag?

Het kortste antwoord op die vraag is de ‘boze’ buitenwereld. De Wet op het Primair Onderwijs, het oordeel van de onderwijsinspectie over de onderwijskwaliteit, een slechte pers en wegblijvende ouders dwongen vrijescholen om hun luiken te openen en in ontwikkeling te komen. In die kritieke situatie kwam een proces van bewustwording op gang. Werkgroepen en lerarenteams bogen zich over hun manier van werken en zochten de achterliggende motieven. Nog rouwend om wat verloren ging, pasten leraren hun werkwijzen aan. Liefde voor wat zich onder hun handen ontwikkelde moet hen moed gegeven hebben om stappen te zetten in een ongewisse toekomst. Met resultaat, want de gemeten onderwijskwaliteit ging omhoog waardoor het vertrouwen van onderwijsinspectie en ouders toenam. Dankzij fusies nam de kwetsbaarheid van eenpitters af en konden schoolteams zich op de kwaliteit van het primaire proces richten. Herbezinning op de eigen identiteit tenslotte, leidde tot het lectoraat Waarde(n) van het vrijeschoolonderwijs, de publicatie “Wat maakt het vrijeschoolonderwijs uniek” en identiteitsprojecten op de scholen zelf. De gezette stappen op het gebied van identiteit, samenwerking en onderwijskwaliteit gaven vrijescholen nieuw elan. Sinds 2011 steeg het aantal leerlingen aan vrijescholen met 35%, een groei die extra opvalt omdat ze dwars tegen de trend van dalende leerlingenaantallen ingaat.

De geschiedenis van het vrijeschoolonderwijs in Nederland laat twee fenomenen zien. Het zetten van stoutmoedige ontwikkelingsstappen leidt tot groei en op een periode van langdurige groei volgen stagnatie en een crisis. Het zijn fenomenen die me aan het leven zelf doen denken.

Groei en ontwikkeling

Natuurlijk weten we dat bomen niet tot in de hemel groeien, dat rupsen zich tot vlinders ontpoppen en dat kinderen op een zeker moment hun tanden wisselen. Er zijn grenzen aan de groei. In de natuur wisselen periodes van groei en ontwikkeling elkaar dan ook regelmatig af.

Groei danken we aan celdeling en herhaling. Dat herhaling ook met bewustzijnsverlies gepaard gaat, merken we als we naar de ontwikkeling van onze vaardigheden kijken. Dankzij de regelmatige herhaling van een bepaalde handeling krijgen we dagelijkse handelingen zoals lopen, koken en breien in de vingers. Zelfs complexe vaardigheden zoals autorijden en lesgeven kunnen we zo goed onder de knie krijgen, dat we ze routineus kunnen uitvoeren. Dat er dankzij vaste gewoontes iets in omvang toeneemt, merken we als we elke dag tien pennen breien en er onder onze handen ongemerkt een sjaal groeit.

Naarmate een handeling dieper in ons lijf zakt, vergeten we hoeveel moeite het kostte ons haar eigen te maken. Zelfs het motief voor een handeling kan in vergetelheid wegzinken. Ooit las ik in een damesblad hoe drie generaties vrouwen de spekrandjes van hun karbonades afsneden voor ze die bakten. Op een dag vroeg de jongste vrouw zich verwonderd af waarom ze dat eigenlijk deed. Haar mes bleef in de lucht hangen en de spekrandjes bleven dit keer zitten. Ze vroeg haar moeder, van wie ze de kunst van het spek bakken had afgekeken, naar het motief. Helaas had die haar eigen moeder nagedaan en nooit naar de beweegreden gevraagd. Daarop ging kleindochter bij oma op bezoek. Die antwoordde lachend “Ach kind, dat deed ik omdat al die karbonades anders niet in de koekenpan pasten.” Nu kleindochter het motief kende en zelf maar twee karbonades hoefde te bakken, besloot ze de smakelijke spekrandjes voortaan te laten zitten.

Deze anekdote illustreert hoe vaak we een handeling onbewust uitvoeren. Slechts zelden vragen we ons af waarom we de dingen doen zoals we ze doen. Verwondering helpt ons om op zoek te gaan naar de achterliggende reden. Is het motief voor een bepaalde handeling eenmaal bekend, dan kunnen we ons gedrag bewust veranderen en nieuw gedrag oefenen. Ontwikkeling is geen willoos meebewegen met onze omgeving, geen willekeurige verandering, maar berust op bewust gezette stappen. We proberen dan zo te handelen dat ons motief optimaal in de situatie tot uitdrukking komt. Ontbreekt die vragende basishouding, dan verliezen we het contact met onszelf en onze omgeving. We vallen in slaap, onze ontwikkeling stopt en langzaam vergeet de buitenwereld ons. Bij bedrijven leidt dit tot vertrekkende klanten, bij scholen tot wegblijvende leerlingen. Het teruglopende leerlingenaantal op vrijescholen aan het begin van dit millennium is op dit fenomeen terug te voeren. Pas een door de buitenwereld veroorzaakte crisis bracht hier verandering in.

Crises wekken bewustzijn

Vaste gewoontes wiegen ons in slaap. Wekt iemand ons uit die gerieflijke sluimer, dan nemen we hem dat niet in dank af. We beleven dit eerder als een regelrechte crisis. Toch spelen crises een belangrijke rol in onze ontwikkeling. In de puberteitscrisis onderzoeken jongeren de waarde van overgedragen ouderlijke normen. In de midlifecrisis lichten motieven op die tot een bewuste wending in de levensloop kunnen leiden. Omdat crises de ondergang van vertrouwde zekerheden en vaste gewoonten inluiden, roepen ze in eerste instantie angst en afschuw op. Bij persoonlijke levenscrises is het evident dat die door anderen is veroorzaakt. Je vorige baas heeft je ontslagen, je ex-partner wilde scheiden of je huisarts herkende de verschijnselen van een ziekte niet. Het is menselijk om de schuld op anderen te schuiven. Pas als een crisis langer achter ons ligt en we tot nieuwe voorspoed zijn gekomen, zijn we misschien in staat tot een mildere kijk op onze tegenspeler. Soms zien we hem zelfs als iemand die ons hielp om in ontwikkeling te komen.

Naarmate het leven ons meer pokt en mazelt, gaan we beseffen dat er tussen groei en ontwikkeling een diepe kloof gaapt. Crises schudden alle krachten van de ziel dooreen en vullen die afgrond met vooroordelen en twijfels, heftige emoties en een immobiliserende angst. Wat verwondering lichtvoetig bereikt, veroorzaakt een crisis met harde hand. Beide wekken ons bewustzijn voor waarden, voor de geest. Dankzij dit bewustzijn zien we de situatie in een ander licht, kunnen we onze primaire emoties transformeren en komen we in beweging. Motieven en idealen wekken ons warme enthousiasme en schenken ons de moed om onbekend terrein te betreden. Vol moed en enthousiasme stichtten initiatiefnemers in de 70’er en 80’er jaren hun vrijescholen. Aan het begin van dit millennium vatten lerarenteams de moed om hun onderwijs op onderdelen opnieuw vorm te geven. Geestdrift en moed kenmerkt initiatiefnemers door alle tijden heen.

Geestdrift en moed

De verbluffende werking van geestdrift voelde ik voor het eerst tijdens een les Duits op de middelbare school. Herr Enkelaar was een degelijke, wat stoffige docent, die ons wekelijks een afgemeten aantal bladzijden huiswerk opgaf. Niets bereidde me voor op het enthousiasme waarmee hij op een dag een internationale conferentie Esperanto beschreef. Geestdrift maakte een jongeling van hem. Met levendige bewegingen, blozende wangen en fonkelende ogen schetste hij een goed gevulde conferentiezaal, waarin mensen elkaar verstonden en begrepen. Zonder dat ik dat toen benoemen kon, lieten zijn jubeltonen me ervaren wat het betekent als mensen van geest vervuld zijn. Een geestdriftig mens, wordt door geest gedreven. Enthousiasme betekent letterlijk in god zijn. De warmte van Herr Enkelaars enthousiasme werkte lang door. Mijn cijfers voor Duits vlogen omhoog en diep in mij ontkiemde een passie voor taal en etymologie.

In een enthousiast mens leeft een ideaal dat zich hooguit in fantasie kleedt. Martin Luther King gebruikte in zijn beroemde toespraak tot acht keer toe de woorden “I have a dream’. Steeds schilderde hij een toekomstbeeld, waarin de waarden rechtvaardigheid, vrijheid en broederschap verwerkelijkt waren. De beelden die hij opriep, inspireerden mensen met een heel verschillende culturele achtergrond. Tegelijkertijd realiseerde King zich dat er twijfels, haat en angst onder de mensen leefden. Hoe zorgde hij ervoor dat zijn toehoorders vertrouwen kregen in een gezamenlijke toekomst en stoutmoedig stappen gingen zetten?

De beroemde dominee deed dit door een beroep te doen op hun geloof, hoop en bereidheid tot verbroedering. Nadat King zijn toekomstdroom had geschetst, veranderde zijn toon. Hij beitelde hoop vrij uit een berg van wanhoop. Hij benoemde de snerpende dissonanten die hij waarnam, maar uitte zijn geloof in hun vermogen om samen te werken, ongeacht huidskleur, geloof of ras. Omdat hij geloofde dat goede wil zelfs uit wanklanken een harmonieuze symfonie kon vormen, geloofden ook zijn toehoorders dit. Jaren later appelleerde het ‘Yes we can’ van Barack Obama aan ditzelfde vermogen om samen een toekomst op te bouwen.

Levend onderwijs

Wil het vrijeschoolonderwijs zichzelf niet voorbij groeien en crises voorkomen, dan moet ze haar identiteit blijven ontwikkelen. Verwondering is daar een prachtig hulpmiddel bij. Wat speelt er in jouw straat, de buurt, de stad, het land en mondiaal? Waarom zijn vrijescholen nog steeds witte scholen? Wat kunnen vrijescholen van andere scholen leren? Vraag je eens af welke zorgen en vragen er in je omgeving leven en of jij daar vanuit jouw waarden een passend antwoord op hebt.

Levend onderwijs heeft grote impact. Verwondering en initiatief geven het vrijeschoolonderwijs een uitstraling tot ver buiten haar muren en werken door in de tijd. Leerlingen van nu staan voor andere opgaven dan hun ouders en grootouders. Wat hun groei en ontwikkeling bevordert en langdurig in hun leven doorwerkt is levend onderwijs. Zulk onderwijs ontvangen ze van leraren die hun waarden kennen en leven, zelf in ontwikkeling zijn en dat ook tonen. Zij laten hun leerlingen ervaren dat geestdrift kan bevleugelen en twijfels laat verdampen. Dankzij hun voorbeeld durven hun leerlingen jaren later zelf de vertrouwde, vaste grond te verlaten en nieuwe kusten aan te doen.

Terug naar de inhoudsopgave van “Ruimte scheppen voor de toekomst”

Eerder gepubliceerd in Vrije Opvoedkunst, winter 2018