Het sturende ik

De metafoor van het paardenspan en de wagenmenner uit Arjuna’s tijd is tijdloos. Ook Plato vergeleek ons met wagenmenners die een ongelijk span paarden in toom moeten houden. Je zwarte paard vertegenwoordigt volgens Plato je individuele, maar dierlijke lichaam. Je witte paard is een kuddedier en hangt samen met je neiging je te voegen naar de groep. Goede groepsgewoonten versterken het witte paard. Plato meende dat je dankzij de bezonnenheid van je wagenmenner je dierlijke kanten overwint en beide paarden de kant van het goede leven kunt opsturen. Tijdens de afgelopen vastentijd heb ik dat aan den lijve ervaren.

Oefening baart kunst

Wil je aan den lijve ervaren hoe complex je wil is, dan kun je het best eens tijdelijk een vaste gewoonte doorbreken waaraan je sterk bent gehecht. Sinds een paar jaar drink ik tijdens de vasten geen alcohol meer. Dat is een hele opgave, want ik drink graag een paar glazen wijn rond het avondeten. Hoe sterk die gewoonte wortel heeft geschoten, merkte ik direct op de eerste dag. Al tegen vijven begon mijn ziel zich te roeren en wilde ik een glas wijn. Tegenover mijn begeerte naar een goed glas wijn plaatste ik mijn wilskracht. Ik wil nu iets wat ik niet wil ….

In Plato’s metafoor van de wagenmenner lokt de lekkere wijn mijn zwarte paard Dit dier houdt zijn blik op zijn directe omgeving gericht, is ontstellend listig en beschikt over grote energie. Ziet hij iets verlokkends, dan draaft hij daar direct op af. Mijn gewoonten vormen je mijn witte paard. Heeft een van je begeerten zich tot een ‘slechte’ gewoonte ontwikkeld, dan heb je een probleem. Begeerten en gewoonten willen dan precies dezelfde kant op.

De enige die daar iets aan kan veranderen, ben jij als wagenmenner. Je zult je gewoonten doelbewust moeten veranderen. Hoe groter de verleiding, hoe lastiger de klus. Het vormen van wensbeelden helpt mij daar enorm bij. Al op de tweede dag van de vasten zou ik een etentje met bekenden hebben. Mijn partner die ook vastte had al aangegeven die avond wijn te zullen drinken, dus daar had ik geen steun aan. Daarom stelde ik me de avond tevoren zo secuur mogelijk voor dat ik de volgende dag een glas tonic zou bestellen, dat ik vervolgens in alle rust zou opdrinken. Dat werkte. Wat hielp was dat ik toevallig naast iemand kwam te zitten, die die avond ook geen alcohol dronk.

Tijdens de vasten houd ik rekening met de nukken van mijn zwarte paard en stop ik het zo nu en dan een extraatje toe. Ik eet wat meer chocola en kijk wat vaker naar een  mooie film. Tegelijkertijd probeer ik verleidelijke situaties en stress te vermijden. Door nieuwe gewoonten op te bouwen die beter bij mijn waarden passen, zorg ik ervoor dat ik aan mijn witte paardje een maatje krijg. Aangezien de vasten 46 dagen duren, vallen me de laatste weken vast makkelijker dan die aan het begin.

Dat oefening kunst baart, las ik in Hersenbeest van Marjan Slob (1964). In een van haar essays stelde ze dat je pas vrij bent je als je wilt wat je wilt willen. Het is een vrijheid die volgens Slob gebaseerd is op het oplossen van tegengestelde wilsrichtingen en pas na veel oefening ontstaat. Voetballer Arjan Robben en trompettist Eric Vloeimans bijvoorbeeld, hoeven niet eerst na te denken, maar doen precies wat er in de situatie nodig is. In hun intuïtieve moeiteloosheid zijn ze tegelijkertijd authentiek. Willen wat je wilt, dat is de ultieme vrijheid. Over 35 dagen drink ik daar een goed glas wijn op.

Motieven en drijfveren

Plato gaf terecht aan dat je witte paard in eerste instantie een kuddedier is. De goede gewoonten die je bij je opvoeding meekreeg, helpen je om je begeerten in te tomen. Echte vrijheid verover je als je die meegekregen gewoonten geleidelijk vervangt door, of aanvult met gewoonten die beter bij jouw waarden passen. Waarden vind je door herbronnen of bezinning. Ken je je waarden, dan kun je er motieven, wensbeelden en voornemens ontlenen.

Rudolf Steiner maakte onderscheid tussen motieven en drijfveren. Je motieven zijn met je bewuste denken verbonden. Je drijfveren daarentegen hangen volgens hem met je wil en lichamelijke organisatie samen. Ze vormen een blijvende, individu gebonden factor. [1]

Omdat motief en drijfveer vaak tegengesteld gericht zijn, kun je een gespletenheid in je ziel ervaren. Goethe drukte die tweespalt in zijn Faust prachtig uit. Ook in die paar strofen lees je dat een deel van de ziel zich op de materie richt, en een ander deel op de geest.

Zwei Seelen wohnen, ach! in meiner Brust, Die eine will sich von der andern trennen;

Die eine hält, in derber Liebeslust, Sich an die Welt mit klammernden Organen;

Die andere hebt gewaltsam sich vom Dust zu den Gefilden hoher Ahnen.[2] 

Dankzij oefening gaan motief en drijfveer elkaar steeds beter ondersteunen. In de intuïtieve handeling wordt de tweespalt van de ziel geheeld en raken binnen en buiten meer en meer verbonden. In muziek en in teamsport zie je hier prachtige voorbeelden van. Ook als opvoeder kun je je in dit samenspel van motief en drijfveer bekwamen. Volgens de Zweedse psycholoog K. Anders Ericsson (1947) hebben we 10.000 uur nodig om in wetenschap, kunst of sport de absolute top te bereiken. Dat is een jaar of zes full time werk. Die theorie stond zo’n twintig jaar lang als een huis, maar is in 2015 door uitgebreid nieuw onderzoek ondergraven. Ook andere factoren zoals talent, intelligentie en leeftijd spelen een grote rol. Er zijn altijd natuurtalenten. Denk maar aan Mozart en andere genieën die al op zeer jonge leeftijd uitzonderlijk presteerden.

Tegelijkertijd blijkt dat die 10.000 uur gemiddeld wel klopt. Ook opvoeders, of ze nu professioneel voor de klas staan of als amateur thuis werken, hebben in zes jaar tijd een schat aan ervaring opgebouwd die hen tot professionals maakt.


[1] GA 4, blz 124

[2] (Faust I, Vers 1112 1117)